ECLI:NL:RBDHA:2020:5451
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening faciliterend visum voor zwangere partner EU-burger
Verzoekster, van Chinese nationaliteit en partner van een EU-burger met Italiaans paspoort, heeft een faciliterend visum aangevraagd om naar Nederland te reizen. Haar eerdere visum werd ongeldig door de coronapandemie, waardoor zij haar zwangerschap in Nederland niet kon voortzetten.
Verweerder weigerde het visum op grond van aangescherpte toegangsvoorwaarden die familieleden van EU-burgers beperken tot gehuwden, geregistreerd partnerschap of minimaal zes maanden gezamenlijk huishouden. Verzoekster kon dit niet aantonen, en verweerder vond de zwangerschap onvoldoende bewijs voor een duurzame relatie.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verzoekster, gezien haar zwangerschap en eerdere visumverstrekking, zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij afwijzing. De rechter stelt dat de reisrestricties onvoldoende gemotiveerd zijn ten opzichte van het recht op gezinsleven volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, zodat verzoekster wordt behandeld alsof zij het visum bezit. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van het faciliterend visum en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.