ECLI:NL:RBDHA:2020:5472

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
18 juni 2020
Zaaknummer
NL19.24296
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Tijdens de procedure is gebleken dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met haar gemachtigde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, omdat zij niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit volgt uit de melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers dat eiseres het asielzoekerscentrum heeft verlaten en de verklaring van haar gemachtigde over het ontbreken van contact.

Gelet op deze omstandigheden verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank verwijst tevens naar een gerelateerde uitspraak over de overdracht van kwetsbare vreemdelingen aan Italië. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.24296

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

mede ten behoeve van de minderjarige
[naam 2],
V-nummer: [nummer 1] en [nummer 2]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.24297, plaatsgevonden op 7 november 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Ter zitting is het onderzoek niet gesloten.
De rechtbank ziet thans aanleiding om alsnog uitspraak te doen in het beroep. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ter zitting is de behandeling van het beroep van eiseres aangehouden in afwachting
van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
over de vraag of overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië mogelijk is
en, zo ja, onder welke omstandigheden. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 7 november 2019 (NL19.24297). De voorzieningenrechter heeft daarbij de voorlopige voorziening getroffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiseres en haar kind niet mogen worden overgedragen aan Italië totdat is beslist op het beroep.
2. Er hebben zich feiten en omstandigheden voorgedaan die ertoe leiden dat de behandeling van het beroep niet langer hoeft te worden aangehouden.
3. Als een asielzoeker met onbekende bestemming is vertrokken zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, moet worden geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep [1] .
4. In zijn brief van 2 maart 2020 heeft verweerder meegedeeld dat eiseres blijkens melding van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 21 januari 2020 met onbekende bestemming is vertrokken. Gemachtigde van eiseres heeft telefonisch verklaard sinds begin december 2019 geen contact meer te hebben met eiseres. Zij heeft in haar brief van 10 februari 2020 meegedeeld dat eiseres ten tijde van de zittingsdatum verklaard heeft dat zij “in another country” was. Bij brief van 2 maart 2020 heeft gemachtigde van eiseres meegedeeld dat haar uit navraag bij het COA is gebleken dat eiseres niet meer op het AZC was gezien.
5. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiseres met onbekende bestemming is vertrokken en dat zij geen prijs meer stelt op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Evenhuis, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie ook vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.