ECLI:NL:RBDHA:2020:5522

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2020
Publicatiedatum
19 juni 2020
Zaaknummer
Awb 18/8430
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 32 VisumcodeArt. 84 Vw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie en twijfel vertrekintentie

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om zijn neef in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door de Minister van Buitenlandse Zaken afgewezen op grond van twee afwijzingsgronden uit de Visumcode: het niet aannemelijk maken van de familierelatie en twijfel over het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten.

Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard en later ongegrond verklaard in het bestreden besluit. Eiser stelde in beroep dat hij zijn familie wilde bezoeken en kennis wilde maken met de Nederlandse samenleving, maar voerde niet concreet aan waarom het besluit onrechtmatig zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs had geleverd van zijn familierelatie met de referent en dat er redelijke twijfel bestond over zijn vertrekintentie, mede vanwege onduidelijke herkomst van hoge stortingen op zijn bankafschriften en onvoldoende sociale en economische binding met het land van herkomst. Daarom bleef het bestreden besluit terecht in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/8430

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1981] , van Marokkaanse nationaliteit,eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [referent] )
en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bij zijn neef, [referent] (referent), afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 oktober 2018 is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is vervangen door het besluit van 22 augustus 2019 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden,
vóór het doen van de uitspraak, gesloten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op twee afwijzingsgronden genoemd in artikel 32 van Pro de Visumcode:
- a, onder II: Verweerder vindt dat eiser het doel van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond omdat eiser zijn gestelde familierelatie met referent niet heeft aangetoond met objectieve bewijsstukken en ook niet anderszins aannemelijk heeft gemaakt. De bij de visumaanvraag overgelegde ‘Attestation de Relation Familiale’ is geen objectief verifieerbaar document omdat niet is gebleken dat hetgeen erin staat op grond van brondocumenten is vastgesteld. Omdat de familierelatie niet aannemelijk is gemaakt en omdat eiser wel broers en zussen in Spanje zou hebben, acht verweerder het ook niet aannemelijk dat het hoofdverblijf van eiser in Nederland zou liggen.
- b: Verweerder vindt dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het Schengengebied vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten, nu niet is gebleken van een wezenlijke sociale en economische binding met het land van herkomst. Uit de door eiser overgelegde ‘Attestation Agricole’ blijkt enkel dat hij boer is en land exploiteert. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf landeigenaar is en ook niet dat hij daadwerkelijk regelmatige inkomsten uit arbeid heeft. Verder blijkt uit de door eiser overgelegde bankafschriften dat er een aantal hoge stortingen zijn gedaan, waarvan de herkomst onduidelijk is. Dat eiser wel enige sociale binding heeft met zijn vrouw en twee kinderen is onvoldoende, aldus verweerder.
2. Nu sprake is van zelfstandige afwijzingsgronden was de afwijzing van de aanvraag al terecht als één van de afwijzingsgronden in stand blijft.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij graag zijn familie in Nederland wil bezoeken. Daarnaast wil hij ook Nederland bezoeken en wil hij kennismaken met de Nederlandse samenleving.
4. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan afdoen aan het bestreden besluit omdat eiser hiermee niet heeft aangevoerd waarom het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 juni 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.