Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
ontbreekt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, levenslanggestrafte sinds 1987 wegens medeplegen doodslag en drievoudige moord, verzocht de Staat om binnen een redelijke termijn te beslissen op zijn gratieverzoek. Het gerechtshof had positief geadviseerd, maar de Staat stelde besluitvorming uit. De voorzieningenrechter oordeelt dat de Staat gehouden is uiterlijk 8 juli 2020 te beslissen, gezien eerdere toezeggingen en de langdurige procedure.
Eiser vorderde tevens dat de rechter een toetsingskader voorschrijft voor afwijking van het positieve advies van het gerechtshof. Dit werd afgewezen omdat gratie een bevoegdheid van de Kroon is en de rechter niet vooraf mag ingrijpen in het besluitvormingsproces. Het toetsingskader is onderwerp van lopend cassatieberoep.
De rechter benadrukt dat de Staat vertragingen in de procedure heeft veroorzaakt en dat de situatie van eiser als uitzichtloos en inhumaan wordt beoordeeld volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vordering tot dwangsom wordt afgewezen omdat de Staat tot nu toe rechterlijke uitspraken nakomt.
De Staat en eiser dragen elk hun eigen proceskosten. De uitspraak is gewezen door Hage en Vetter op 24 juni 2020.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld uiterlijk op 8 juli 2020 te beslissen op het gratieverzoek van eiser; de vordering tot voorschrijven van een toetsingskader wordt afgewezen.