ECLI:NL:RBDHA:2020:5740
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na ongegrondverklaring beroep verblijfsdocument
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen op 5 maart 2019. Het bezwaar tegen deze afwijzing is eveneens ongegrond verklaard op 5 september 2019. Vervolgens heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening beoordeeld aan de hand van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:81 Awb Pro kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien tegen een besluit beroep is ingesteld. Echter, de rechtbank heeft het beroep in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 19/7453) reeds ongegrond verklaard na een zitting via skype op 28 mei 2020.
Door deze ongegrondverklaring van het beroep ontbreekt de vereiste connexiteit voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier I.N. Powell, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep op het bestuursbesluit reeds ongegrond is verklaard.