ECLI:NL:RBDHA:2020:591
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding en proceskostenvergoeding na bezwaar tegen aanslag IB/PVV 2015
Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2015, waarbij hij stelde recht te hebben op schadevergoeding en vergoeding van werkelijke proceskosten vanwege de lange duur van de procedure en vermeend onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de aanslag binnen de wettelijke termijn had opgelegd en dat het bezwaar grotendeels was gehonoreerd door de premievrijstelling toe te kennen. Het geschil betrof daarom uitsluitend de toekenning van immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de duur van de bezwaarprocedure binnen de redelijke termijn viel en dat geen sprake was van andere immateriële schade die vergoeding rechtvaardigde. Ook was er geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire regeling voor proceskosten, nu verweerder niet onzorgvuldig had gehandeld.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de reeds toegekende kostenvergoeding ongewijzigd. Er werd geen proceskostenveroordeling in beroep opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding en volledige proceskostenvergoeding is afgewezen.