ECLI:NL:RBDHA:2020:5936

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
1 juli 2020
Zaaknummer
20/3175
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening huishoudelijke ondersteuning niet-ontvankelijk verklaard

Verzoekster had huishoudelijke ondersteuning toegekend gekregen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar deels gegrond verklaard en werd de ondersteuning aangepast. Verzoekster stelde vervolgens beroep in tegen het bestreden besluit, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank.

Naar aanleiding daarvan verzocht verzoekster om een voorlopige voorziening, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege het ontbreken van een lopend beroep bij de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk was op grond van het connexiteitsvereiste in artikel 8:81 Awb Pro.

Hoewel verzoekster stelde dringend behoefte te hebben aan huishoudelijke hulp, kon de voorzieningenrechter dit niet beoordelen en gaf zij verweerder in overweging om alsnog nadere afstemming met verzoekster te zoeken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopend beroep bij de rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/3175

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder(gemachtigde: J.A. Bogaards).

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster voor de periode van 21 mei 2018 tot en met 23 mei 20121 huishoudelijke ondersteuning in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend (intensiteit "Plus").
Bij besluit van 11 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij wijzigingsbesluit van 17 juni 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij verzoekster huishoudelijke ondersteuning ingevolge de Wmo 2015 voor 5 uur per week toegekend (intensiteit "Intensief").
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. De voorzieningenrechter kan ingevolge 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
4. Verweerder heeft bij besluit van 11 december 2018 verzoeksters bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
5. Verweerder heeft bij wijzigingsbesluit van 17 juni 2019 het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, geregistreerd onder zaaknummer SGR 18/8337, heeft de rechtbank het beroep van verzoekster tegen die achtergrond niet-ontvankelijk verklaard.
6. Op grond van het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde connexiteitsvereiste bij het verzoek om een voorlopige voorziening en de daaraan ten gronde liggende bodemprocedure, is de voorzieningenrechter, nu er geen beroep bij de rechtbank (meer) is aan te wijzen, van oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
7. Ten overvloede wenst de voorzieningenrechter nog op te merken dat zij kennis heeft genomen van het feit dat verzoekster heeft gesteld dat haar situatie nijpend is en dat zij zeer dringend behoefte heeft aan huishoudelijke hulp, waarin ondanks het wijzigingsbesluit nog niet passend zou zijn voorzien. Alhoewel de voorzieningenrechter de situatie van verzoekster niet kan beoordelen, neemt zij ondanks de uitkomst van deze spoedprocedure, de ruimte om verweerder in overweging te geven om te bezien of nadere afstemming met verzoekster – zo mogelijk middels een passend huishoudelijk ondersteuningsplan – op korte termijn tot de mogelijkheden behoort.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
de griffier is verhinderd deze uitspraakmede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.