1.1Eiser was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerker voor 38 per week. Hij is op 18 augustus 2008 uitgevallen vanwege lichamelijke en psychische klachten. Per augustus 2010 is eiser 41,38% arbeidsongeschikt geacht, per 28 juli 2015 is hij 37,52% arbeidsongeschikt geacht. Op 24 december 2018 heeft eiser gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek (eiser wordt 34,89% arbeidsongeschikt geacht) zijn voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit te nemen. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiser per 9 juni 2019 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft aan deze besluitvorming het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (b&b) ten grondslag gelegd, waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van 34,83%.
3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en voert aan dat het maatmaninkomen onjuist is geïndexeerd. Indien al juist is dat het maatmaninkomen dient te worden geïndexeerd naar datum arbeidsdeskundig onderzoek, dient niet geïndexeerd te worden naar 19 maart 2019, maar per 3 april 2019, dan wel 5 april 2019. Niet duidelijk is op grond waarvan de arbeidsdeskundige b&b van oordeel is dat het arbeidsdeskundig onderzoek op 19 maart 2019 is afgerond. Op 2 april 2019 is overleg geweest met de verzekeringsarts, op 3 april 2019 heeft een gesprek met eiser plaats gevonden en het rapport is gedateerd op 5 april 2019. Derhalve dient het laatst bekende indexcijfer van april 2019 (113,6) te worden gehanteerd. Verder is het maatmanloon dat per juli 2015 was vastgesteld op € 19,67 per uur, teruggerekend naar de nieuwe CBS indexcijfers van november 2014, waardoor het maatmanloon in november 2014 € 19,55 per uur bedroeg. Bij de berekening van het maatmanloon is door de arbeidsdeskundige b&b het nieuwe indexcijfer van november 2014 (105,2) gebruikt, terwijl het nieuwe indexcijfer inmiddels 105,0 bedraagt. Het maatmanloon zou volgens eiser per afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek (113,6/105,0) x € 19,55 = € 21,15 moeten zijn. De mate van arbeidsongeschiktheid bedraagt dan [(€ 21,15 -/- € 13,73)/€ 21,15] x 100% = 35,08%.
Verder heeft eiser betoogd dat de functie textielproductenmaker niet had mogen worden geduid, omdat er twijfel is of sprake is van overschrijding op het aspect “niet werken in een lawaaierige ruimte”, in combinatie met de beperking van het gebruiken van beschermende middelen aan het hoofd. Ook beschikt eiser niet over de gewenste ervaring. De functie wikkelaar had niet mogen worden geduid, omdat niet nader is toegelicht waarom de ogenschijnlijk forse trillingsbelasting op hand en arm toelaatbaar is. Dit is volgens eiser te meer nodig, omdat een soortgelijke functie is verworpen vanwege dezelfde kenmerkende belasting.
4. De rechtbank stelt vast dat, even als in bezwaar, de verzekeringsgeneeskundige grondslag niet is bestreden. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.