ECLI:NL:RBDHA:2020:5967

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2020
Publicatiedatum
2 juli 2020
Zaaknummer
NL20.11476
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 28 VreemdelingenwetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep verblijfsvergunning

Eiser diende op 4 september 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam niet tijdig een besluit, waarna eiser op 27 mei 2020 beroep instelde bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen. Op 9 juni 2020 besloot verweerder alsnog op de aanvraag en kende eiser een dwangsom toe.

Naar aanleiding hiervan trok eiser op 11 juni 2020 het beroep in en verzocht tegelijkertijd om een afzonderlijke uitspraak waarin verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 8:75a Awb. Verweerder stemde in met vergoeding van €262,50.

De rechtbank oordeelde dat het beroep terecht was ingesteld en ingetrokken vanwege tegemoetkoming door verweerder. De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenvergoeding toe en veroordeelde verweerder tot betaling van €262,50, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Janse van Mantgem zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €262,50 aan proceskosten na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.11476

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 4 september 2019 heeft eiser een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet Pro.
Op 27 mei 2020 is bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag.
Op 9 juni 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist. Voorts heeft verweerder aan eiser een dwangsom toegekend.
Het beroep is op 11 juni 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
Verweerder heeft op 19 juni 2020 op het verzoek om proceskostenveroordeling gereageerd.
Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Bij brief van 19 juni 2020 heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de proceskosten in onderhavige procedure te vergoeden tot een bedrag van € 262,50.
4. De rechtbank stelt vast dat het (terecht ingestelde) beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor licht).

BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van
A.C. Karels, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.