Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1979 en van Iraanse nationaliteit, eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 26 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto Pro artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder heeft daarnaast aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Overwegingen
- Identiteit, nationaliteit en herkomst.
- Afwenden van de islam en bekering tot het christendom.
“In de zomer van 2018 gebeurde er iets heel ergs met mij. Ik dacht dat het einde van mijn leven was gekomen. Niemand kon mij helpen, ik was helemaal moe en dacht: dit is het einde. Maar ik begon te bidden en praten met God en heb God toen om hulp gevraagd en of Hij een oplossing wilde geven voor het grote probleem wat ik had. God heeft mijn gebed gehoord en antwoord gegeven. Hij heeft mij uit deze moeilijke situatie gered. Ik heb toen God met mijn hele hart en ziel ervaren en ik begon mijn heerlijke God te eren met mijn hele hart en ziel”.
”Ten aanzien van de kennis van het geloof wordt opgemerkt dat enige basale kennis van het christelijk geloof voor een ieder makkelijk te vergaren is. De door betrokkene geëtaleerde kennis met betrekking tot het geloof is onvoldoende onderscheidend om te concluderen dat sprake is van een oprechte bekering.”De rechtbank vermag niet in te zien dat als wordt tegengeworpen dat eiser slechts over basale kennis beschikt aan hem niet meer vragen zijn gesteld om zodoende te kunnen beoordelen of eiser over meer dan basale kennis beschikt. Niet wordt duidelijk hoe eiser wel voldoende onderscheidend had kunnen verklaren als hij nu alle gestelde vragen goed heeft beantwoord. In het bestreden besluit is overwogen dat:
“Voorts wordt betrokkene geen gebrekkige kennis van het geloof tegengeworpen en is dit in positieve zin meegewogen, maar dit doet er niet aan af dat betrokkene op meerdere punten geen inzicht kan geven in zijn persoonlijke beleving en ervaringen, zoals reeds in het voornemen en hierboven is overwogen.”De rechtbank overweegt dat weliswaar wordt gesteld dat de kennis in positieve zin is meegewogen maar dat niet duidelijk is hoe deze weging dan heeft plaatsgevonden, temeer nu uit het voornemen in het geheel niet blijkt dat verweerder de door eiser geëtaleerde kennis als positief kwalificeert. In het verweerschrift is tot slot vermeld dat: “
Eiser heeft een aantal kennisvragen weliswaar op de juiste wijze beantwoord, maar de verklaringen van eiser zijn naar de mening van verweerder niet zodanig overtuigend dat de bekering alsnog geloofwaardig moet worden geacht.”De rechtbank stelt vast dat ook in het verweerschrift niet duidelijk wordt gemaakt waarom dat ondanks de beantwoording van alle vragen deze verklaringen niet zodanig overtuigend zijn dat de bekering alsnog geloofwaardig is. Deze beoordeling van verweerder wekt de indruk dat ongeacht de beantwoording van de vragen door eiser, de vragen over kennis nimmer kunnen bijdragen aan de conclusie dat sprake is van een geloofwaardig te achten bekering, In die zin heeft verweerder in het onderhavige geval geen enkele waarde toegekend aan de tweede pijler terwijl die wel die kenbaar moet worden gewogen bij het beoordelen van het relaas. Dit betekent dat de weging niet (kenbaar) conform de werkinstructie heeft plaatsgevonden en daardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid.
“op geen enkele wijze blijkt dat bij eiser sprake is van een oprechte, diepgewortelde en innerlijke christelijke overtuiging”. Dit is echter niet vereist blijkens de werkinstructie. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat
“Hiertoe wordt overwogen dat aan de verklaringen niet het gewicht toe komt dat betrokkene er aan toe wil kennen. Het is immers aan betrokkene om de gestelde bekering aannemelijk te maken door middel van het afleggen van overtuigende verklaringen. Gelet op wat hiervoor en in het voornemen is overwogen, is betrokkene hier niet in geslaagd. De overgelegde verklaringen
“ de door eiser overgelegde stukken wijzen er op dat hij een aantal christelijke activiteiten verricht. Echter, uit de overgelegde stukken blijkt op geen enkele wijze dat er bij eiser sprake is van een oprechte, diepgewortelde en innerlijke christelijke overtuiging.”Verweerder heeft de verklaringen van derden dus niet conform de werkinstructie betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en ook op dit punt niet genoegzaam gemotiveerd waarom eiser zijn gestelde bekering niet aannemelijk heeft gemaakt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen binnen zes weken na heden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van