ECLI:NL:RBDHA:2020:6138
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende bewijs samenwoning en verblijf in België
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond van zijn relatie met een referent met Surinaamse nationaliteit die in België verblijft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij en de referent langer dan drie maanden daadwerkelijk in België hadden verbleven, noch dat zij voorafgaand aan de aanvraag ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding hadden gevoerd.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 13 januari 2020 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het toetsingskader duidelijk had uiteengezet en voldoende had gemotiveerd waarom het bewijs van feitelijk verblijf en samenwoning ontbrak. De door eiser overgelegde verklaringen van dochters van de referent waren onvoldoende om het vereiste bewijs te leveren. De rechtbank wees het beroep af als kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.