ECLI:NL:RBDHA:2020:6138

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2020
Publicatiedatum
7 juli 2020
Zaaknummer
AWB 20/788 (beroep) en 20/789 (vovo)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan wegens onvoldoende bewijs samenwoning en verblijf in België

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, op grond van zijn relatie met een referent met Surinaamse nationaliteit die in België verblijft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij en de referent langer dan drie maanden daadwerkelijk in België hadden verbleven, noch dat zij voorafgaand aan de aanvraag ten minste zes maanden een gezamenlijke huishouding hadden gevoerd.

Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 13 januari 2020 ongegrond werd verklaard. Hiertegen stelde eiser beroep in bij de rechtbank en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep was beslist.

De rechtbank oordeelde dat verweerder het toetsingskader duidelijk had uiteengezet en voldoende had gemotiveerd waarom het bewijs van feitelijk verblijf en samenwoning ontbrak. De door eiser overgelegde verklaringen van dochters van de referent waren onvoldoende om het vereiste bewijs te leveren. De rechtbank wees het beroep af als kennelijk ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/788 (beroep) en AWB 20/789 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 3 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaans nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
eiser, verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. G.Th.J. Bos),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 24 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 10 april 2019 heeft eiser de hier voorliggende aanvraag ingediend. Als verblijfsgever is ingevuld [referente] (referente). Referente heeft de Surinaamse nationaliteit.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat niet is aangetoond dat eiser een duurzame relatie heeft met referente. Evenmin is aangetoond dat eiser ten minste drie maanden feitelijk en daadwerkelijk met referente in België heeft verbleven. Eiser en referente hebben alleen administratief verblijf in België aangetoond. Zij hebben geen bewijsstukken overgelegd waaruit hun daadwerkelijke verblijf in België blijkt. Daarnaast hebben zij niet aangetoond dat zij voorafgaand aan de onderhavige aanvraag tenminste zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden.
Eisers voeren aan dat zij een aantal documenten hebben verstrekt, zoals vermeld onderaan pagina 2 en bovenaan pagina 3 van het bestreden besluit (hierna: de documenten). Daaruit blijkt volgens eisers de samenwoning. Eisers betreuren het dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. Zij hadden hun standpunt kunnen toelichten en meer duidelijkheid kunnen geven over hun relatie. Er zijn verklaringen overgelegd van de twee dochters van referente waaruit de samenwoning tussen eiser en referente blijkt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit duidelijk het toetsingskader uiteen heeft gezet en dat hij afdoende heeft gemotiveerd waarom eiser met de door hem overgelegde stukken niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat eiser en referente langer dan drie maanden daadwerkelijk in België hebben verbleven. Daarnaast heeft verweerder afdoende gemotiveerd dat eiser en referente niet hebben aangetoond dat zij voorafgaande aan de onderhavige aanvraag tenminste zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gedurende die termijn feitelijk samenwoonden. Uit de twee overlegde verklaringen van de dochters blijkt niet dat sprake is van tenminste zes maanden een gezamenlijke huishouding voorafgaand aan de onderhavige aanvraag en dat gedurende die termijn sprake was van feitelijk samenwonen. Hoewel gemachtigde in zijn beroepschrift van 3 maart 2020 heeft aangekondigd aanvullend bewijs te doen toekomen, heeft de rechtbank dit tot op heden niet ontvangen terwijl hij daartoe ruimschoots de gelegenheid had.
De stelling dat de hoorplicht, als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb is geschonden, slaagt ook niet. Van de in artikel 7:2 van Pro de Awb bedoelde algemene hoorplicht kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op wat eiser heeft aangedragen en in het primaire besluit is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat van zo’n situatie in dit geval sprake is, zodat verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser in de bezwaarfase geen nieuwe stukken heeft overgelegd, terwijl in de primaire fase duidelijk is aangegeven welke stukken moesten en behoorden te worden overgelegd.
Het beroep is kennelijk ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is gedaan op 3 juli 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.