Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse nationaliteit, vroeg op 23 mei 2019 een visum kort verblijf aan voor een zakelijk bezoek aan Nederland. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf niet aannemelijk had gemaakt en er twijfel bestond over zijn vertrek uit de Schengenzone.
Eiser maakte bezwaar, maar ook dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn werkzaamheden voor het bedrijf waarvoor hij stelt te werken. Ook zijn er tegenstrijdigheden over de duur van het verblijf en de noodzaak van een multi-entry visum, evenals onduidelijkheid over zijn verblijfplaats in Nederland.
Eiser voerde aan dat de werkgeversverklaring voldoende was en dat zijn familie een betrouwbare achtergrond heeft, maar kon dit niet onderbouwen met relevante stukken. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet onterecht heeft geconcludeerd dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Irak heeft.
De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat er geen schending is van de hoorplicht. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.