ECLI:NL:RBDHA:2020:6250
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht op grond van Dublinverordening ondanks COVID-19 quarantaineplicht in Oostenrijk
Eiser, afkomstig uit Somalië, werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid overgedragen aan Oostenrijk op grond van de Dublinverordening, omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd gehouden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelde dat overdracht in strijd was met het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vanwege de COVID-19-gerelateerde quarantaineplicht of testverplichting in Oostenrijk, die volgens hem zijn recht op lichamelijke integriteit en vrijheid zou schenden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel een gedwongen quarantaine een tijdelijke inperking van de vrijheid inhoudt, dit een gerechtvaardigde maatregel kan zijn ter voorkoming van de verspreiding van COVID-19. Er was geen duidelijkheid over onrechtmatigheid van de Oostenrijkse maatregelen en het is niet aannemelijk dat een rechtsmiddel tegen quarantaine succesvol zou zijn.
De rechtbank stelde dat het belang van verweerder bij uitvoering van de Dublinverordening en het voorkomen van nieuwe asielaanvragen zwaarder weegt dan het belang van eiser om quarantaine te ontlopen. Ook speelde mee dat eiser Oostenrijk vrijwillig had verlaten en dat de quarantaine van beperkte duur is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht aan Oostenrijk wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.