ECLI:NL:RBDHA:2020:6274
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit met vertrektermijn van 28 dagen voor langdurig verblijf zonder verblijfsvergunning
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarbij eiser werd opgedragen binnen 28 dagen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Eiser, geboren in 1956 en sinds 1979 in Nederland zonder verblijfsvergunning, voerde aan dat hij door zijn langdurige verblijf en persoonlijke omstandigheden niet terug kan keren naar Marokko zonder onevenredige hardheid te ondervinden.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat de verplichting tot vertrek op grond van de Vreemdelingenwet 2000 terecht was opgelegd. Hoewel eiser bijzondere omstandigheden aanvoerde, waaronder zijn leeftijd, gezondheidsproblemen, sociale bindingen in Nederland en angst voor detentie in Marokko, oordeelde de rechtbank dat deze omstandigheden niet zodanig waren dat het terugkeerbesluit onterecht was.
De rechtbank overwoog verder dat het recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro geen beletsel vormt voor het opleggen van een vertrekplicht, maar alleen relevant is bij de vaststelling van de vertrektermijn. De vertrektermijn van 28 dagen werd als redelijk beschouwd, mede omdat eiser binnen deze termijn een aanvraag voor verblijfsvergunning of uitstel van vertrek op medische gronden kon indienen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de vertrektermijn van 28 dagen bevestigd.