ECLI:NL:RBDHA:2020:6279
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na afwijzing beroep verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen na intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht per 17 november 2014. Het primaire besluit tot intrekking dateert van 12 april 2019. Het bezwaar van verzoeker tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 30 september 2019. Verzoeker stelde vervolgens beroep in tegen dit bestreden besluit.
De voorzieningenrechter toetst het verzoek om voorlopige voorziening aan artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het beroep in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 19/7503) reeds is behandeld en op 22 juni 2020 via een videoverbinding ongegrond is verklaard, ontbreekt de vereiste connexiteit voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Nooijen en griffier I.N. Powell, en zal op een later moment openbaar worden uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds is afgewezen.