ECLI:NL:RBDHA:2020:6345
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van 30 april 2020 waarbij de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser stelde dat vanwege de coronacrisis uitstel was gevraagd en toegezegd voor het indienen van een zienswijze, en dat verweerder contact had moeten zoeken na het verstrijken van de termijn. Verweerder stelde dat het uitstel tot 21 april 2020 was en dat het op de gemachtigde lag om contact te zoeken. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende coulant was geweest met het uitstel en dat het niet verplicht was om contact te zoeken na het verstrijken van de termijn.
De gemachtigde van eiser was niet verschenen op de zitting en had geen inhoudelijke gronden ingediend. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is omdat de procedure zorgvuldig was gevolgd en de verantwoordelijkheid voor verdere communicatie bij de gemachtigde lag.
De uitspraak is gedaan door rechter E.P.W. van de Ven en griffier M. Belhaj op 9 juli 2020. Vanwege coronamaatregelen is de uitspraak niet openbaar uitgesproken, maar kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.