ECLI:NL:RBDHA:2020:6652
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning
Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 11 juni 2020 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening gezamenlijk. Bij uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL20.12511) werd het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. Hierdoor voldeed het verzoek om voorlopige voorziening niet langer aan het connexiteitsvereiste zoals bepaald in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het verzoek om voorlopige voorziening moest worden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. van Nooijen, met griffier E. Frieling, en vanwege coronamaatregelen niet op een openbare zitting uitgesproken, maar zal later alsnog openbaar worden gemaakt.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep in de hoofdzaak ongegrond is verklaard.