Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder erkende de overschrijding van de beslistermijn en stelde dat de coronacrisis en capaciteitsproblemen bij de IND een afwijkende termijn rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelt dat ondanks de coronasituatie verweerder in gebreke is gebleven en dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Er is sprake van een bijzonder geval waardoor een afwijkende beslistermijn kan worden opgelegd.
De rechtbank legt een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak op waarbinnen verweerder alsnog moet beslissen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- vastgesteld. Verweerder wordt ook veroordeeld in de proceskosten van eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter A.P. Hameete en griffier H.L. de Vries. Vanwege coronamaatregelen is de uitspraak niet openbaar uitgesproken.