ECLI:NL:RBDHA:2020:6672
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eisers, van Myanmarese nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun asielaanvragen niet in behandeling werden genomen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank overweegt dat Nederland terecht de verantwoordelijkheid aan Duitsland heeft overgedragen, aangezien eisers in het bezit waren van een geldig Duits Schengenvisum en Duitsland dit heeft bevestigd via een claimakkoord. Eisers konden onvoldoende aannemelijk maken dat het visum namens Nederland was afgegeven of dat er sprake was van een officiële vertegenwoordigingsregeling.
De rechtbank wijst ook het beroep af op grond van het ontbreken van toepasselijkheid van artikel 10 en Pro 17 van de Dublinverordening, ondanks de door eisers aangevoerde familiebanden in Nederland. De rechtbank acht deze banden onvoldoende onderbouwd en niet passend binnen de definitie van gezinsleden.
Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en kan binnen zes weken worden aangevochten door middel van verzet.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.