ECLI:NL:RBDHA:2020:6674
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens kennelijke ongegrondheid niet-ontvankelijk
Eiser, een Ghanese nationaliteit dragende asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag op 8 mei 2020 af als kennelijk ongegrond op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank stelde vast dat hoewel de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig werden geacht, zijn verklaringen over terugkeer naar Ghana en zijn vrees niet geloofwaardig waren.
Tijdens de procedure bleek uit het departementale dossier dat eiser op 23 juni 2020 met onbekende bestemming Nederland had verlaten. De rechtbank stelde vast dat een vreemdeling die zonder mededeling met onbekende bestemming vertrekt, in beginsel geen prijs meer stelt op de bescherming die hij aanvankelijk zocht, tenzij hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde.
De gemachtigde van eiser gaf aan kennis te hebben genomen van deze situatie en verzocht de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank concludeerde dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij inhoudelijke behandeling van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen procesbelang meer heeft.