Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse student, vroeg in december 2019 een visum voor kort verblijf aan om zijn neef te bezoeken. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het doel en twijfel over terugkeer. Later werd het bezwaar ongegrond verklaard en het visum geweigerd op basis van een nieuwe grond: het voorkomen van verspreiding van COVID-19 volgens de Visumcode en Schengengrenscode.
Eiser stelde dat hij niet was gehoord over deze nieuwe grondslag, wat volgens de rechtbank een schending van het hoor- en wederhoorbeginsel is. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet zorgvuldig had gehandeld door de nieuwe weigeringsgrond zonder gelegenheid tot horen toe te passen.
Desondanks werd het beroep ongegrond verklaard omdat eiser niet had aangegeven wat hij tegen de nieuwe grond had willen inbrengen en zijn belangen niet waren geschaad. Verweerder werd wel veroordeeld in de proceskosten wegens de procedurele tekortkoming.
De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige besluitvorming en het recht op horen bij wijziging van de grondslag in bezwaarprocedures, zeker bij ingrijpende maatregelen zoals COVID-19 gerelateerde visumweigeringen.
Uitkomst: Het beroep tegen de visumafwijzing wegens COVID-19 wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten vanwege het niet horen van eiser over de nieuwe weigeringsgrond.