ECLI:NL:RBDHA:2020:6718
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en belangenafweging minderjarig kind
Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling zijn genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eisers stelden dat zij ten onrechte geen nieuwe termijn kregen voor een aanvullende zienswijze en dat verweerder relevante strafrechtelijke informatie niet aan de Spaanse autoriteiten had voorgelegd.
De rechtbank oordeelde dat eisers voldoende uitstel hadden gekregen en dat verweerder niet verplicht was om zonder concreet belang aanvullende informatie door te geven. Ook is geen reden om de behandeling van de aanvraag aan Nederland toe te wijzen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, ondanks de strafrechtelijke veroordeling van eiser in Spanje en het contactverbod.
Ten aanzien van de belangen van het minderjarige kind stelde de rechtbank vast dat deze niet expliciet in het besluit waren meegewogen, wat een motiveringsgebrek opleverde. Dit gebrek werd echter met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat het kind hierdoor niet benadeeld werd en het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt.
De beroepen werden ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €1.050,-. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.