ECLI:NL:RBDHA:2020:6814
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1989, die lijdt aan een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.
Uit de overgelegde medische verklaring, het zorgplan en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn stoornis, waaronder risico op agressie en maatschappelijke teloorgang. Vrijwillige zorg bleek onvoldoende en daarom achtte de rechtbank verplichte zorg noodzakelijk. De zorgmachtiging omvat onder meer medicatietoediening met toezicht, medische controles, onderzoek van kleding en woonruimte, en beperkingen in de bewegingsvrijheid bij opname.
Betrokkene heeft een eigen plan van aanpak en dagbesteding, en zal onder toezicht van zijn broer wonen. De behandelaars uitten zorgen over middelengebruik en de veiligheid van het gezin van de broer. De rechtbank stelde voorwaarden aan opname en benadrukte dat opname alleen kan plaatsvinden als betrokkene niet meewerkt en ernstig nadeel dreigt.
De machtiging geldt tot 6 januari 2021 en voorziet in verplichte zorgmaatregelen die evenredig en noodzakelijk zijn om de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en zijn autonomie te herstellen. Het verzoek tot meer of andere zorg is afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging tot 6 januari 2021 met verplichte zorgmaatregelen om ernstig nadeel af te wenden.