ECLI:NL:RBDHA:2020:6818
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiseres, voormalig thuiszorgmedewerkster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars ZW-beoordeling werd vastgesteld dat zij niet meer dan 65% van het maatmanloon kon verdienen. Bij het einde van de wachttijd vroeg zij een WIA-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij volgens de verzekeringsarts slechts 21,22% arbeidsongeschikt was.
Eiseres voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat informatie van haar huisarts niet was meegenomen. Ook stelde zij dat haar beperkingen sinds de eerste ZW-beoordeling ongewijzigd waren en dat de urenbeperking van maximaal 32 uur per week onterecht was komen te vervallen. De rechtbank oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts voldoende gegevens had om een juiste beoordeling te maken.
De rechtbank stelde vast dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) adequaat waren vastgesteld en dat er geen aanwijzingen waren dat de klachten waren onderschat. De urenbeperking was in de WIA-beoordeling terecht niet overgenomen omdat de klachten niet zodanig waren toegenomen en er geen nieuwe medische informatie was die een andere beoordeling rechtvaardigde.
De arbeidsdeskundige had bovendien aannemelijk gemaakt dat eiseres geschikt was voor de geduide functies. Gezien deze omstandigheden was het besluit om de WIA-uitkering te weigeren terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.