De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds 2018 bij haar grootouders verblijft. De minderjarige staat sinds 2008 onder toezicht en is sinds 2011 uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over haar opvoedsituatie en verwaarlozing in de eerste levensjaren bij de moeder.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de standpunten van de betrokkenen, waaronder de vader, moeder, grootouders en de gecertificeerde instelling. De vader en grootouders stemmen in met de verlenging, terwijl de moeder geen verweer voert maar haar onvrede uit over de samenwerking met de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en dat verlenging noodzakelijk is. De huidige situatie, waarbij de minderjarige bij de grootouders verblijft en begeleid contact heeft met de moeder, draagt positief bij aan haar ontwikkeling. De kinderrechter wijst erop dat het steunende netwerk van grootouders en anderen essentieel is en dat op termijn onderzocht zal worden of de zorg zonder ondertoezichtstelling kan worden voortgezet.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt aan de betrokkenen toegekend.