ECLI:NL:RBDHA:2020:6943
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak na rechtmatig verblijf
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en tegelijkertijd verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
Tijdens de zitting gaf de gemachtigde van verzoeker aan dat verzoeker geen inhoudelijk belang meer heeft bij de voorlopige voorziening omdat hij inmiddels rechtmatig verblijf heeft gekregen. Daarom trok hij het verzoek in, maar verzocht wel om een proceskostenveroordeling van verweerder.
De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van een tegemoetkoming door verweerder zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, omdat de verleende verblijfsvergunning betrekking had op een nieuwe aanvraag en niet op de aanvraag in deze procedure. Het verzoek om proceskostenveroordeling werd daarom afgewezen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. van Nooijen op 24 juli 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat verzoeker inmiddels rechtmatig verblijf heeft verkregen.