ECLI:NL:RBDHA:2020:6981
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontslag op staande voet wegens ontbreken dringende reden
Verzoeker, sinds 1984 in dienst bij verweerder als assistent-belastingconsulent, werd op 9 april 2020 op staande voet ontslagen wegens vermeende schending van het nevenwerkzaamhedenbeding en het onrechtmatig gebruik van bedrijfsmiddelen voor privéwerkzaamheden. Verzoeker voerde aan dat de winkelregeling en na-winkelregeling door verweerder zelf werden gefaciliteerd en dat hij zijn werkzaamheden binnen die kaders verrichtte, zonder dat er sprake was van benadeling of een dringende reden voor ontslag.
Verweerder stelde dat verzoeker structureel nevenwerkzaamheden verrichtte tijdens werktijd, betalingen op privérekeningen ontving en vertrouwelijke informatie onrechtmatig had gedeeld. De kantonrechter oordeelde echter dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat de feiten onvoldoende een dringende reden vormden. De winkelregeling was bekend en gefaciliteerd door verweerder, en er waren geen duidelijke regels over het aantal klanten of controle daarop.
De kantonrechter vernietigde het ontslag op staande voet en veroordeelde verweerder tot doorbetaling van loon vanaf de ontslagdatum tot de datum van de beschikking, tot wedertewerkstelling van verzoeker met een dwangsom bij niet-naleving, en tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De arbeidsovereenkomst blijft van kracht.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt vernietigd wegens ontbreken van een dringende reden en verweerder wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en wedertewerkstelling.