ECLI:NL:RBDHA:2020:7011
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens onvoldoende spoedeisend belang bij intrekking verblijfsvergunning
Verzoeker, die een gevangenisstraf van 8 jaar uitzit in België, verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen zodat hij tijdelijk rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. Dit zou hem in staat stellen om terug te keren naar Nederland en mogelijk vervroegd in vrijheid gesteld te worden.
De rechtbank overwoog dat een spoedeisend belang aanwezig zou zijn indien de gevraagde voorziening daadwerkelijk zou leiden tot de beëindiging van de detentie. Echter, uit de stukken bleek dat Nederland in 2018 al had aangegeven niet in te stemmen met een verzoek tot strafoverdracht vanwege een voorgenomen intrekking van de verblijfsvergunning van verzoeker. Het ontbreken van rechtmatig verblijf was niet de reden voor afwijzing destijds, en ook nu zou tijdelijke toestemming niet de intrekking van de verblijfsvergunning ongedaan maken.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoeker onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van onverwijlde spoed en dat het besluit niet evident onrechtmatig was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.