ECLI:NL:RBDHA:2020:7081

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
NL20.13388
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Verzoeker heeft op 2 juli 2020 beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro zonder zitting.

Volgens artikel 8:81 lid 4 Awb Pro in samenhang met artikel 6:5 lid 1 Awb Pro moet een verzoek om voorlopige voorziening de gronden van het verzoek bevatten. Verzoeker had dit niet gedaan, waarna de rechtbank hem op 2 juli 2020 verzocht dit binnen een week te herstellen. Pas op 15 juli 2020 werden alsnog gronden ingediend, zonder dat verzoeker een reden gaf voor de vertraging.

Omdat er geen verontschuldiging was voor het verzuim, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. E.P.W. van de Ven en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het ontbreken van een verontschuldiging voor het verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.13388

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] , van Tunesische nationaliteit, verzoeker
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft op 2 juli 2020 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 1 juli 2020 (het bestreden besluit). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Verzoeker heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoeker op 2 juli 2020 verzocht om dit verzuim binnen één week te herstellen.
4. Verzoeker heeft op 15 juli 2020 alsnog gronden ingediend.
5. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.