ECLI:NL:RBDHA:2020:7081
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker heeft op 2 juli 2020 beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83 lid 3 Awb Pro zonder zitting.
Volgens artikel 8:81 lid 4 Awb Pro in samenhang met artikel 6:5 lid 1 Awb Pro moet een verzoek om voorlopige voorziening de gronden van het verzoek bevatten. Verzoeker had dit niet gedaan, waarna de rechtbank hem op 2 juli 2020 verzocht dit binnen een week te herstellen. Pas op 15 juli 2020 werden alsnog gronden ingediend, zonder dat verzoeker een reden gaf voor de vertraging.
Omdat er geen verontschuldiging was voor het verzuim, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. E.P.W. van de Ven en is niet vatbaar voor beroep of hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en het ontbreken van een verontschuldiging voor het verzuim.