ECLI:NL:RBDHA:2020:7208
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na bestreden besluit
Verzoekster, van Braziliaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 23 juli 2018 als kennelijk ongegrond was afgewezen. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit, waarop de rechtbank bij tussenuitspraak de Staatssecretaris de gelegenheid gaf het besluit te herstellen. Bij uitspraak van 31 januari 2019 werd het beroep gegrond verklaard en werd de Staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Bij het bestreden besluit van 7 april 2020 wees de Staatssecretaris de aanvraag wederom af als kennelijk ongegrond en weigerde tevens een verblijfsvergunning regulier, uitstel van vertrek en gaf geen vertrektermijn, met onmiddellijke vertrekbevel tot gevolg. Verzoekster stelde hiertegen beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De zitting vond plaats op 25 juni 2020 via Skype, waarbij verzoekster en haar gemachtigde aanwezig waren. De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts mogelijk is zolang de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Aangezien op dezelfde dag uitspraak werd gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer NL20.10102), was een voorlopige voorziening niet meer mogelijk.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. J.G. Nicholson en bekendgemaakt op 6 juli 2020. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het hoofdberoep inmiddels uitspraak is gedaan.