ECLI:NL:RBDHA:2020:7358
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardig geloofsafval en bekering in Iran
Eiser, een Iraanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel, stellende dat hij vanwege zijn geloofsafval van de islam en bekering tot het christendom in Iran vervolgd zou worden. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk afstand had genomen van de islam en bekeerd was tot het christendom.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldoende inzichtelijk had gemaakt welk proces tot zijn geloofsafval had geleid en dat zijn verklaringen over zijn bekering oppervlakkig waren. Ook achtte de rechtbank het ongeloofwaardig dat eiser geen contact had gezocht met zijn huiskerkvrienden in Iran, terwijl dit voor zijn geloofsbeleving relevant was.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende bewijs leverde van strafrechtelijke vervolging in Iran en dat de overgelegde documenten tegenstrijdigheden vertoonden. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag van de verblijfsvergunning af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van geloofsafval en bekering.