ECLI:NL:RBDHA:2020:7368
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na uitspraak in beroep verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Ethiopische nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van die wet. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 30 juli 2020, die samen met een andere zaak werd behandeld, verscheen verzoeker met zijn gemachtigde en tolk. De gemachtigde van de verweerder was eveneens aanwezig.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening slechts mogelijk is indien de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Omdat op dezelfde dag uitspraak was gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL20.10192), was een voorlopige voorziening niet meer mogelijk. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat reeds uitspraak is gedaan op het beroep.