ECLI:NL:RBDHA:2020:7541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiseres vroeg op 25 juli 2019 een visum kort verblijf aan om haar zus in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een wezenlijke sociale en economische binding met Soedan, waardoor de terugkeer niet gewaarborgd zou zijn.
Eiseres voerde aan dat zij sociale banden heeft met haar ouders en broers en zussen, een beroep met hoog sociaal aanzien uitoefent als oogarts, een vast dienstverband heeft, een relatief hoog inkomen naar lokale maatstaven, en een stuk grond bezit waarop een huis wordt gebouwd. Ook stelde zij dat een storting op haar bankrekening afkomstig was van de verkoop van gouden sieraden, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de sociale en economische binding onvoldoende was aangetoond. Er was geen sprake van bijzondere afhankelijkheid of maatschappelijke verplichtingen die terugkeer afdwingen. Het inkomen was gering en de herkomst van de storting onduidelijk. Het bezit van grond werd niet als voldoende economische binding gezien. Ook de garantsteller beschikte niet over voldoende middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Soedan.