ECLI:NL:RBDHA:2020:7589
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugkeersbesluit en inreisverbod wegens illegaal verblijf ongegrond verklaard
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verbleef jarenlang illegaal in Nederland en kreeg op 8 december 2019 een terugkeersbesluit opgelegd met een inreisverbod van twee jaar. Hij werd gehoord door de politie en verklaarde een samenwonende vriendin te hebben. De staatssecretaris legde het besluit op vanwege het illegale verblijf en het ontbreken van een geldig reisdocument, en stelde dat het inreisverbod een sanctie is die niet in strijd is met het recht op familieleven.
Eiser voerde aan dat hij een langdurige relatie heeft en dat hij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht heeft op verblijf vanwege zijn familieleven. De rechtbank oordeelde dat het terugkeersbesluit rechtmatig was omdat eiser niet rechtmatig verbleef en geen uitzonderingssituaties van artikel 62a Vreemdelingenwet 2000 van toepassing waren. Daarnaast hoeft bij een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken geen toetsing aan artikel 8 EVRM Pro plaats te vinden.
Ten aanzien van het inreisverbod concludeerde de rechtbank dat de staatssecretaris alle relevante feiten had meegewogen en dat het opleggen van het inreisverbod niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, mede omdat eiser zijn relatie onvoldoende had onderbouwd en niet was gebleken dat de vriendin afhankelijk is van eiser. De rechtbank wees erop dat eiser een aanvraag voor verblijf kan indienen indien hij rechtmatig verblijf wenst op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever en griffier G.A. Verhoeven op 10 augustus 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeersbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.