ECLI:NL:RBDHA:2020:7592
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht voor vader zonder daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken
Eiser, een Egyptische vader, vroeg om een verblijfsdocument als verzorgende ouder van zijn minderjarige Nederlandse dochter. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht en er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind de EU zou moeten verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
Eiser voerde aan dat hij contact met zijn dochter onderhoudt en dat zijn aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor een omgangsregeling, maar de rechtbank stelde vast dat hij sinds de geboorte vrijwel geen contact heeft gehad en dat de moeder de feitelijke verzorgende ouder is. Het arrest Chavez-Vilchez en het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 werden toegepast om te beoordelen of aan de voorwaarden voor verblijfsrecht is voldaan.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldoet aan de criteria voor verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro en dat het beroep ongegrond is. Ook werd overwogen dat het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind niet direct toepasbaar is en dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet leidt tot het gevraagde verblijfsdocument. Het horen van eiser kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt afgewezen.