De zaak betreft een geschil over een last onder dwangsom die door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is opgelegd aan de Staatssecretaris van Defensie vanwege het zonder omgevingsvergunning afmeren van marineschepen in de Nieuwe Haven te Den Helder. Verweerder heeft bij besluit van 30 januari 2019 gelast dat het afmeren uiterlijk 1 september 2019 moest worden beëindigd, met dwangsommen bij niet-naleving. Deze termijn is meerdere malen verlengd en uiteindelijk opgeschort tot 1 juni 2020. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter overweegt dat het afmeren van marineschepen een onderdeel is van de inrichting Nieuwe Haven en dat het afmeren zonder vergunning een overtreding van de Wabo vormt. Echter, de omgevingsvergunning van 2012 bevatte geen voorschriften over het afmeren van marineschepen, waardoor het huidige handhavingsstandpunt een wijziging is. Defensie voert aan dat het onmogelijk is aan de last te voldoen omdat geen ontvankelijke vergunningaanvraag mogelijk is en er geen alternatieve ligplaats is die de operationele inzetbaarheid waarborgt.
De voorzieningenrechter weegt de belangen en concludeert dat het zwaarwegende belang van Defensie om haar grondwettelijke taak te kunnen uitvoeren prevaleert boven het handhavingsbelang. Ook de traagheid in het vergunningverleningsproces speelt een rol. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en worden het primaire en bestreden besluit geschorst tot 1 januari 2021. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.