ECLI:NL:RBDHA:2020:7774
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot dwangakkoord wegens onvoldoende financieel aanbod en niet te goeder trouw handelen
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij hij een schuldregeling aanbood met een uitkering van 6,16% aan schuldeisers over 36 maanden. Verweerster, schuldeiser met een groot aandeel in de schuldenlast, weigerde hiermee in te stemmen vanwege onvoldoende onderbouwing en het niet maximaal haalbare karakter van het aanbod.
De rechtbank overweegt dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij financieel niet meer kan bijdragen, mede omdat hij werkzaam is in de onderneming van zijn partner tegen een laag salaris zonder bewijs van medische beperkingen. Daarnaast is het aanbod onjuist gedocumenteerd door het opnemen van huurkosten terwijl verzoeker samenwoont in een eigendom van zijn partner.
Ook weegt zwaar mee dat verzoeker onbetaalde kinderalimentatie niet te goeder trouw heeft gelaten, mede door privégebruik van een dure leaseauto. De rechtbank concludeert dat het belang van verweerster bij weigering zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij het dwangakkoord en wijst het verzoek af.
Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende financieel aanbod en niet te goeder trouw handelen.