ECLI:NL:RBDHA:2020:7881
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht op grond van onvoldoende zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Ghanese staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op het EU-gemeenschapsrecht via zijn minderjarige Nederlandse zoon (referent). Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aantoonde daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken te verrichten en dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat het kind gedwongen zou zijn de EU te verlaten bij weigering van het verblijfsrecht.
Eiser stelde dat uit het ouderschapsplan blijkt dat hij zorg draagt tijdens weekenden en vakanties en dat hij essentieel is voor de emotionele en lichamelijke ontwikkeling van zijn zoon in de puberteit. De rechtbank overwoog dat het arrest Chavez-Vilchez vereist dat de vreemdeling aantoont dat hij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 VwEU Pro en dat verweerder moet toetsen of de afhankelijkheidsrelatie zodanig is.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de overgelegde stukken onvoldoende objectief bewijs bevatten dat eiser daadwerkelijke zorgtaken verricht. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij de moeder, die het gezag heeft. Verklaringen van eiser, moeder, mentor en voetbalcoach waren onvoldoende concreet. Ook het horen in bezwaar was niet vereist omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van daadwerkelijke zorgtaken en afhankelijkheidsrelatie.