ECLI:NL:RBDHA:2020:7929

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2020
Publicatiedatum
19 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.11573
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 13 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens Dublinverordening en geen toepassing artikel 17 ondanks discriminatie in Spanje

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat hij in Spanje ernstige discriminatie heeft ervaren en dat vanwege de coronamaatregelen artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden om zijn aanvraag in Nederland te behandelen.

De rechtbank stelt vast dat eiser zich niet langer beroept op artikel 13 van Pro de Dublinverordening en dat Spanje het verzoek tot terugname heeft aanvaard. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 17 niet Pro wordt toegepast, omdat eiser onvoldoende individuele bijzondere omstandigheden heeft aangetoond. De enkele verklaringen over discriminatie zijn onvoldoende om een onderzoek te verplichten.

Verder is het coronavirus volgens de rechtbank een tijdelijk overdrachtsbeletsel dat de rechtmatigheid van het besluit niet aantast. De overdrachtstermijn van zes maanden is nog niet verstreken en overdrachten zijn sinds 1 juli 2020 weer opgestart. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.11573
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser ter zitting heeft toegelicht dat hij zich niet langer beroept op artikel 13, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zijn doorzendplicht op grond van en handelwijze gelet op het bepaalde van artikel 29,
zesde lid, van de Eurodacverordening1 voldoende toegelicht. Over deze twee punten en de Eurodac registratie hoeft de rechtbank dus niet meer te oordelen.
3. Eiser voert aan dat verweerder in zijn bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om zijn aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Eiser heeft in Spanje discriminatie ervaren. De verklaringen van eiser komen overeen met verklaringen van andere asielzoekers die ook in Spanje zijn gediscrimineerd. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstige discriminatie, het lag daarom op de weg van verweerder om een onderzoek te verrichten naar de feitelijke situatie in Spanje. Door dat na te laten is het besluit van verweerder onzorgvuldig tot stand gekomen. Daarnaast is het onduidelijk op welke termijn de coronamaatregelen worden opgeheven. Ook daarin zou verweerder aanleiding moeten zien om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. Weliswaar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) op 8 april 20202 geoordeeld dat het coronavirus alleen voor een tijdelijk overdrachtsbeletsel zorgt, maar deze uitspraak is inmiddels achterhaald. Een tijdelijk overdrachtsbeletsel van onbekende duur is namelijk in strijd met de geest en doelstelling van de Dublinverordening, namelijk om snel de asielprocedure op te starten. Als op voorhand al duidelijk dat de overdrachtstermijn van zes maanden niet wordt gehaald, is verweerder gehouden om de asielaanvraag al voor het verstrijken van die termijn in behandeling te nemen. Gelet op het voorgaande meent eiser dat het niet toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in zijn situatie van onevenredige hardheid getuigt.
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover hier van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om eisers aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die voor hem aanleiding hadden moeten vormen om het asielverzoek aan zich te trekken. Eiser heeft zijn stelling dat hij in Spanje discriminatie heeft ervaren niet onderbouwd. Een verwijzing naar vergelijkbare verklaringen van andere asielzoekers die hetzelfde hebben ervaren is daarvoor onvoldoende. Van een mate van discriminatie die maakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen is de rechtbank (dan ook) niet gebleken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder hier gelet op de enkele verklaringen van eiser nader onderzoek had moeten verrichten. Van eiser mag bovendien worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Spanje. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat klagen voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of zinloos is.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de ABRvS van 8 april 2020 volgt dat het coronavirus een tijdelijk, feitelijk beletsel is voor de overdracht van, in dit geval, eiser aan Spanje. Dit doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit over
1. Verordening EU 603/2013.
vaststelling van de voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat. In de onderhavige procedure verstrijkt de uiterste overdrachtsdatum op 5 augustus 2020. Er is dus nog een periode waarin eiser zou kunnen worden overgedragen aan Spanje. Dat deze termijn niet gehaald gaat worden acht de rechtbank onzeker, althans de rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat op voorhand duidelijk is dat die termijn door verweerder niet gehaald kan worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de overdrachten in het kader van de Dublinverordening sinds 1 juli 2020 weer zijn opgestart en dat er in Spanje geen zogenoemde lockdown van kracht is. De rechtbank ziet in de Dublinverordening geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onder dergelijke omstandigheden niet de gehele overdrachtstermijn van zes maanden3 mag gebruiken om eiser over te dragen.
Gelet op het voorgaande is dan ook geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming en heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening het asielverzoek van eiser aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
3 Zoals staat opgenomen in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
14 juli 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.