ECLI:NL:RBDHA:2020:7950
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen buiten behandeling stellen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser heeft in 2015 de Europese Unie binnengekomen en eerder asielaanvragen in Nederland en Duitsland ingediend. Zijn aanvraag van 8 januari 2020 werd buiten behandeling gesteld omdat Nederland Duitsland als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was omdat hij geen gelegenheid kreeg een zienswijze in te dienen, mede door corona-gerelateerde omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende uitstel had verleend en dat eiser of zijn gemachtigde contact hadden kunnen zoeken om een zienswijze in te dienen.
Daarnaast stelde eiser dat bijzondere omstandigheden, waaronder bedreiging en ontvoering in Duitsland en een relatie in Nederland, aanleiding zouden moeten zijn om de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan Nederland toe te wijzen. De rechtbank vond dat deze omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd en dat de Duitse autoriteiten naar verwachting bescherming kunnen bieden. Ook is de Dublinverordening niet bedoeld om gezinsvorming te ondersteunen.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter V.E. van der Does op 10 juli 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.