ECLI:NL:RBDHA:2020:7972
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende bewijs bekering en onvoldoende indicaties Hazara-status
Eiser, een Afghaanse asielzoeker van Hazara-afkomst, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Deze werd door de Staatssecretaris afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde dat er nieuwe feiten waren, waaronder zijn bekering tot het christendom en een verslechterde situatie voor Hazara’s in Afghanistan.
De rechtbank oordeelde dat de bekering in de eerste procedure al ongeloofwaardig was bevonden en dat eiser een zwaardere bewijslast droeg. De verklaringen en documenten die de bekering moesten staven, waren onvoldoende om een diepgewortelde innerlijke overtuiging aan te tonen. Ook was de kennis over het christendom algemeen en ontbrak een overtuigende verklaring over gedragsveranderingen.
Ten aanzien van de Hazara-status overwoog de rechtbank dat hoewel de situatie in Afghanistan voor Hazara’s onveiliger is geworden, eiser onvoldoende persoonlijke indicaties had geleverd. Zijn geboorte in Iran en het ontbreken van verblijf in Afghanistan maakten dat hij geen geringe indicaties kon aanvoeren voor een gegronde vrees. De eerdere afwijzing van de asielaanvraag en medische gronden werden eveneens bevestigd.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel afgewezen.