ECLI:NL:RBDHA:2020:8112
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 11 augustus 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1952. Betrokkene verblijft in een accommodatie en vertoont een neerwaarts patroon in haar gezondheid, waaronder ernstige vermagering en onvoldoende hygiëne. Zij weigert vrijwillige behandeling en medicatie.
De rechtbank baseerde haar beslissing op een medische verklaring, een zorgplan, een beoordeling van de geneesheer-directeur en andere relevante documenten. Tijdens de mondelinge behandeling werd betrokkene niet gehoord omdat zij niet wilde deelnemen. De psychiater gaf aan dat verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig nadeel zoals levensgevaar, lichamelijk letsel en psychische schade af te wenden.
De rechtbank concludeerde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de voorgestelde verplichte zorg proportioneel en effectief is. De machtiging omvat onder meer het toedienen van vocht, voeding en medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie. De machtiging geldt tot 11 februari 2021.
De beschikking is gegeven door rechter J.T.W. van Ravenstein en griffier S.A. van Schaik-van Dommelen en kan worden aangevochten middels cassatie.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging met verplichte zorgmaatregelen tot 11 februari 2021.