Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 augustus 2020 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“1. Aanleiding
Nader onderzoek wees uit dat [ [B.V.] ] per 15-12-2005 is opgericht en dat [eiser] bestuurder is van [ [B.V.] ]. Gelet op diverse aangetroffen stukken is het vermoeden ontstaan dat via [ [B.V.] ] zogenaamde “kickback” betalingen (steekpenningen) worden ontvangen van leveranciers van [N.V.] .
Tot op heden zijn er zowel in de inbeslaggenomen fysieke stukken als in de digitale stukken van [ [B.V.] ] en [eiser en de zoon] geen stukken aangetroffen welke zien op eventuele daadwerkelijke werkzaamheden (zoals bijvoorbeeld adviesrapporten, memo’s, notities, etc.) welke zouden zijn verricht door [eiser] en/of [de zoon] en/of [ [B.V.] ] ten behoeve van de hierboven genoemde leveranciers van [N.V.] .
- voor 2010 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 245.069 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.583;
- voor 2011 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 250.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.090.
- voor 2012 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 247.207 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.733;
- voor 2013 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 270.855 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 60.262.
- voor 2010: € 25.543 (€ 10.810 inkomsten uit overige werkzaamheden en € 14.733 inkomsten uit vroegere arbeid),
- voor 2011: € 26.786 (€ 11.980 inkomsten uit overige werkzaamheden en € 14.806 inkomsten uit vroegere arbeid).
- of de door [B.V.] ontvangen bedragen van € 318.977 (2010), € 318.332 (2011), € 449.364 (2012) en € 84.996 (2013) (zie hiervoor onder 7, 8 en 9) bij eiser in aanmerking kunnen worden genomen als resultaat uit overige werkzaamheden;
- of, zo de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, voor de jaren 2010 en 2011 is voldaan aan de vereisten om te mogen navorderen;
- of recht bestaat op een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen;
- of eiser recht heeft op vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn;
- of recht bestaat op een integrale proceskostenvergoeding.
- eiser heeft uit hoofde van de vermeende activiteiten geen inkomsten genoten, zodat geen sprake is van een bij eiser opgekomen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden; niet eiser maar [B.V.] heeft de bewuste bedragen genoten en heeft deze ook als belaste omzet aangegeven;
- indien in voornoemd verband wel sprake is van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, dan 1) is dit te hoog vastgesteld en 2) heeft verweerder voor de jaren 2010 en 2011 niet aannemelijk gemaakt dat ter zake daarvan is voldaan aan de navorderingsvereisten zoals opgenomen in artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- de kosten die zijn gemaakt ten gevolge van de invordering van de onderhavige navorderingsaanslag (de kosten van de civiele procedure tegen de Ontvanger) vormen schade die op grond van artikel 8:73 Awb Pro dient te worden vergoed.
- eiser heeft in de onderhavige jaren een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genoten; hij heeft in samenwerking met de zoon werkzaamheden verricht en daarmee indirect, namelijk via [B.V.] , een voordeel genoten, welk voordeel was beoogd en ook redelijkerwijs was te verwachten;
- omdat [B.V.] voor de bewuste betalingen van de leveranciers geen enkele prestatie heeft verricht en die betalingen enkel zijn gedaan vanwege de door eiser en/of de zoon verrichte activiteiten, kwalificeert de hele omzet van [B.V.] (2010: € 318.977, 2011: € 318.332, 2012: € 449.364, 2013: € 84.996) als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden bij eiser;
- er is geen plaats voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro, reeds omdat in de civiele procedure van eiser tegen de Ontvanger een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen waarbij is overeengekomen dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen;
- er bestaat geen aanleiding tot toekenning van een integrale proceskostenvergoeding of een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
- wel is de aanslag IB/PVV 2012 te hoog vastgesteld; deze dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 748.368 (€ 299.014 plus € 449.354 correctie resultaat uit overige werkzaamheden) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 61.786.
.
(vgl. CRvB 10 maart 1998, nr. AAW 93/476, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7594).
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 270.612 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.583 en gelast dat verweerder de daarbij gegeven heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig vermindert;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 276.973 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.090 en gelast dat verweerder de daarbij gegeven heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig vermindert;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2012 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 299.014 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 61.786 en gelast dat verweerder de daarbij gegeven belastingrentebeschikking dienovereenkomstig vermindert;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 270.859 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 60.258 en gelast dat verweerder de daarbij gegeven belastingrentebeschikking dienovereenkomstig vermindert;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.537.