Eiser ontvangt sinds 2012 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet en heeft in 2017 een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting gekregen. Na bezwaar en beroep is het besluit tot ontheffing deels herzien en verlengd. Verweerder heeft echter bij een latere beslissing het oorspronkelijke besluit ingetrokken, wat tot bezwaar en beroep heeft geleid.
De rechtbank beoordeelt dat de intrekkingsbeslissing geen zelfstandig besluit is omdat het besluit reeds was herroepen bij een correctiebesluit. Hierdoor had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het beroep tegen deze intrekking wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Verder oordeelt de rechtbank dat een informatiebrief van verweerder geen besluit is en dat het beroep tegen de daarop gebaseerde besluiten niet-ontvankelijk of ongegrond is. De rechtbank benadrukt dat zij geen inhoudelijke beoordeling van de medische situatie van eiser geeft, maar dat de procedurele aspecten centraal staan.
De uitspraak is gedaan door rechter O.M. Harms en griffier D.W.A. van Weert op 4 augustus 2020, waarbij de zitting vanwege coronamaatregelen niet openbaar was. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.