Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2020:8205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2020
Publicatiedatum
26 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3136
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 WtlArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag doelgroepverklaring loonkostenvoordeel wegens te late indiening

Eiser trad op 1 januari 2018 in dienst bij Stichting de Stam en diende op 24 januari 2019 een aanvraag in voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel voor arbeidsgehandicapte werknemers. Verweerder wees deze aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na aanvang van het dienstverband was ingediend.

Eiser betoogde dat hem telefonisch was toegezegd dat de doelgroepverklaring jaarlijks opnieuw kon worden aangevraagd en dat hij een eerdere tijdige aanvraag had gedaan. De rechtbank stelde vast dat de telefoonnotities geen aanwijzingen bevatten voor een dergelijke toezegging en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij eerder een aanvraag had ingediend.

Verder stelde eiser dat de hoorplicht was geschonden omdat hem geen hoorzitting was aangeboden. Verweerder overlegde een telefoonnotitie waaruit bleek dat eiser had aangegeven geen hoorzitting te wensen. De rechtbank vond de enkele ontkenning van eiser onvoldoende om schending van de hoorplicht aan te nemen.

De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en dat het beroep ongegrond was. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag doelgroepverklaring wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/3136

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: A.M. Snijders).

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel voor arbeidsgehandicapte werknemers ingevolge de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) afgewezen.
Bij besluit van 12 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op 23 juni 2020. Eiser is verschenen, vergezeld van [A] , vertegenwoordiger van eisers werkgever. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft op 29 juni 2020 aanvullende stukken ingebracht.
Eiser heeft ter zitting toestemming gegeven voor het achterwege laten van een reactie op deze stukken. Voorts hebben partijen ter zitting toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 juli 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 1 januari 2018 is eiser bij Stichting de Stam in dienst getreden. Eiser heeft op 16 november 2018 een aanvraag voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel voor oudere werknemers van 56 jaar of ouder ingediend. Bij besluit van 5 december 2018 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser de aanvraag niet binnen drie maanden na begin van het dienstverband heeft ingediend. Eiser heeft op 24 januari 2019 opnieuw een aanvraag bij verweerder ingediend voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel, nu voor arbeidsbeperkte werknemers die nieuw in dienst komen. Dit heeft geleid tot het primaire besluit.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en de aanvraag van eiser afgewezen. Dit berust op het standpunt dat eiser de aanvraag niet binnen drie maanden na aanvang van het dienstverband heeft ingediend.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat hij de aanvraag voor 2019 op tijd heeft ingediend. Een medewerker van verweerder heeft eiser telefonisch meegedeeld dat de doelgroepverklaring ieder jaar opnieuw moet worden aangevraagd. In het bestreden besluit stelt verweerder dat eiser heeft verklaard geen gebruik te willen maken van een hoorzitting. De mogelijkheid tot een hoorzitting is echter nooit aan eiser voorgesteld. Eiser betoogt dat hij aan alle voorwaarden voor de doelgroepverklaring voldoet.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4.1
Artikel 2.3, eerste lid, van de Wtl bepaalt onder welke voorwaarden het Uwv aan degene die een dienstbetrekking met een werkgever aangaat op diens verzoek een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel verstrekt. De doelgroepverklaring wordt binnen drie maanden na aanvang van de dienstbetrekking aangevraagd.
4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser per 1 januari 2018 in dienst is getreden bij een nieuwe werkgever. Ook staat vast dat eiser zijn aanvraag op 24 januari 2019 – en daarmee later dan drie maanden na zijn indiensttreding – heeft ingediend.
4.3
Eiser heeft aangevoerd dat hem telefonisch door verweerder zou zijn toegezegd dat hij de doelgroepverklaring elk jaar opnieuw kan aanvragen. Ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder over telefoonnotities beschikt die niet eerder aan het dossier zijn toegevoegd. Verweerder heeft deze stukken na de zitting ook verstrekt. Hoewel dit niet de schoonheidsprijs verdient, zijn in deze stukken geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat verweerder aan eiser heeft toegezegd dat, in weerwil van het bepaalde in artikel 2.3, eerste lid, van de Wtl, jaarlijks opnieuw een aanvraag voor een doelgroepverklaring kan worden gedaan. Weliswaar blijkt uit de telefoonnotitie van 8 maart 2019 dat eiser telefonisch contact heeft gehad met verweerder en dat eiser toen heeft gemeld dat een werknemer van Uwv gezegd zou hebben dat hij elk jaar opnieuw de doelgroepverklaring kan aanvragen, maar deze gestelde toezegging heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook niet.
4.4
Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij een eerdere tijdige aanvraag voor een doelgroepverklaring zou hebben gedaan. Uit de door verweerder overgelegde telefoonnotities volgt dat eiser op 30 januari 2018 telefonisch contact heeft gehad met verweerder over het aanvragen van een doelgroepverklaring. Uit de telefoonnotitie van 30 januari 2018 volgt dat verweerder naar aanleiding van het telefoongesprek een brochure ‘Aanvraag Doelgroepverklaring LKV’ aan eiser heeft gestuurd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij vervolgens geen aanvraag heeft ingediend. Dat eiser dit vanwege gezondheidsredenen niet heeft gedaan en ook omdat hij de brochure niet zou hebben ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiser om dan met betrekking tot zijn aanvraag (professionele) hulp te vragen. Dit betoog slaagt derhalve evenmin.
4.5
Ook overigens kan het door eiser aangevoerde niet leiden tot het door eiser gewenste resultaat dat hem ten onrechte geen doelgroepverklaring is toegekend. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wtl volgt dat met de drie maanden-termijn wordt voorkomen dat loonkostenvoordelen voor reeds langere tijd lopende dienstbetrekkingen met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Achtergrond hiervan is dat bij een reeds langer lopende dienstbetrekking waarvoor pas na meer dan drie maanden een doelgroepverklaring wordt aangevraagd, aannemelijk is dat deze dienstbetrekking ook zou zijn aangegaan zonder de toekenning van een loonkostenvoordeel. Een loonkostenvoordeel draagt dan niet bij aan de doelstelling om de in hoofdstuk II van de Wtl genoemde doelgroepen gemakkelijker aan het werk te helpen. Na het verstrijken van de drie maanden-termijn kan de doelgroepverklaring niet meer worden verstrekt en kan de werkgever geen aanspraak meer maken op het betreffende loonkostenvoordeel, ook niet met betrekking tot toekomstige perioden van het dienstverband. Het Uwv heeft geen mogelijkheid om uit coulance af te wijken van deze termijn.
4.6
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser dat hij wel gebruik had willen maken van een hoorzitting aldus dat verweerder de hoorplicht van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij eisers bezwaar op 12 april 2019 telefonisch met eiser heeft besproken en dat eiser in dat gesprek heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van een hoorzitting. Na de zitting heeft verweerder een telefoonnotitie van 12 april 2019 overgelegd, waaruit blijkt dat eiser geen hoorzitting hoeft. Dat hij dit niet heeft gezegd, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele ontkenning van eiser is daarvoor onvoldoende. Van schending van de hoorplicht is de rechtbank dan ook niet gebleken.
5. Het voorgaande betekent dat verweerder eisers aanvraag om een doelgroepverklaring terecht heeft afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 30 juli 2020 gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.