Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 juli 2019 met producties 1 tot en met 5;
- het ter rolzitting van 23 oktober 2019 tegen gedaagde verleende verstek.
Rechtbank Den Haag
In deze civiele procedure vordert de Maatschap dat de gedaagde hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor schade die eiseres in de hoofdzaak zou hebben geleden. Deze schade vloeit voort uit een eerdere procedure tussen eiseres in de hoofdzaak en de Maatschap, waarbij eiseres een bedrag van € 89.185,39 plus rente vordert.
De Maatschap stelt dat de gedaagde deze schade dient te dragen en vordert daarom in vrijwaring dat de gedaagde deze aansprakelijkheid op zich neemt. De gedaagde is niet verschenen en verstek is verleend.
De rechtbank oordeelt dat omdat de vordering van eiseres in de hoofdzaak niet toewijsbaar is, de Maatschap geen voldoende belang heeft bij haar vrijwaringsvorderingen. Daarom wijst de rechtbank de vorderingen van de Maatschap af. Tevens worden geen proceskosten aan de gedaagde opgelegd, aangezien deze niet in de procedure is verschenen en geen kosten heeft gemaakt.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de Maatschap af wegens gebrek aan voldoende belang.