ECLI:NL:RBDHA:2020:8290
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging tot opname en verblijf bij Alzheimerpatiënt
De rechtbank Den Haag behandelde op 25 augustus 2020 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor een cliënt met Alzheimer dementie. Het verzoek betrof een machtiging voor de duur van zes maanden op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd).
Uit de overgelegde medische verklaringen, het zorgplan en de mondelinge behandeling bleek dat de cliënt aanvankelijk vrijwillig was opgenomen en momenteel verbaal verzet toont wanneer haar wordt gevraagd of zij naar huis wil. Dit verzet werd door de advocaat van de cliënt betwist als zijnde geen daadwerkelijk verzet, maar een uitgelokt antwoord. De arts bevestigde dat de cliënt haar plek heeft gevonden en niet actief probeert te vertrekken.
De rechtbank oordeelde dat het enkele bevestigende antwoord van de cliënt op de vraag of zij naar huis wil onvoldoende is om te spreken van verzet in de zin van de Wzd. Hoewel de cliënt lijdt aan een ernstige psychogeriatrische aandoening die tot ernstig nadeel kan leiden, zijn er geen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar en is opname noodzakelijk en geschikt. Desondanks is het feitelijke verzet onvoldoende om de machtiging toe te kennen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen wegens onvoldoende verzet van de cliënt.