ECLI:NL:RBDHA:2020:8443

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 augustus 2020
Publicatiedatum
31 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4343
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen burgemeester en wethouders van Den Haag. Volgens artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist.

De griffier heeft verzoeker op 22 juli 2020 geïnformeerd dat een griffierecht van €178,- verschuldigd was, maar dit bedrag is niet binnen de wettelijke termijn betaald. Verzoeker had een beroep op betalingsonmacht gedaan, maar dit was reeds afgewezen.

De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan de griffierechtenplicht. Er zijn geen omstandigheden gebleken die een uitzondering rechtvaardigen. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en is niet vatbaar voor hoger beroep.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/4343
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

tegen

burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 8:82, eerste lid, eerste volzin, van de Awb, bepaalt dat van de indiener van het verzoekschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:82, juncto artikel 8:41, tweede lid, van de Awb deelt de griffier de indiener mede dat het verschuldigde bedrag binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 22 juli 2020 heeft de griffier verzoeker, onder verwijzing naar het vorenstaande, medegedeeld dat hij een griffierecht van € 178,- verschuldigd is. Dat bedrag is echter niet binnen de in artikel 8:82, tweede lid, van de Awb gestelde termijn op de rekening van de rechtbank bijgeschreven dan wel ter griffie gestort.
De voorzieningenrechter is niet gebleken van enige omstandigheid die tot het achterwege blijven van niet-ontvankelijkverklaring zou moeten leiden. Verzoeker heeft weliswaar op
7 juli 2020 bij de rechtbank een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht gedaan, maar dit verzoek is bij brief van 21 juli 2020 afgewezen.
Verzoeker kan reeds op grond van het vorenstaande niet in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb worden ontvangen. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter evenmin gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Badermann, griffier, op 31 augustus 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.