ECLI:NL:RBDHA:2020:869
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergrijpboetes wegens niet opgeven buitenlandse bankrekeningen in box 3
Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2004 tot en met 2014 geen buitenlandse bank- en effectenrekeningen in Zwitserland vermeld. Verweerder heeft daarop navorderingsaanslagen en vergrijpboetes opgelegd voor de jaren 2005 tot en met 2012. Eiser stelde dat de boetes onterecht zijn opgelegd omdat hij meende dat de box 3-heffing in strijd was met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat hij daarom geen box 3-vermogen hoefde aan te geven.
De rechtbank oordeelt dat het standpunt van eiser niet pleitbaar is en dat het niet melden van de saldi opzettelijk was om belastingheffing te ontlopen. De rechtbank volgt de Hoge Raad in de uitleg van de inkeerregeling van artikel 67n van de Awr en stelt vast dat de boetes terecht zijn opgelegd op basis van de wetgeving die gold op het moment van inkeer. De opgelegde boetes van 20% voor 2005-2007 en 60% voor 2008-2012 zijn passend en geboden gelet op de ernst van het verzuim.
De beroepen worden voor de jaren 2004, 2013 en 2014 niet-ontvankelijk verklaard omdat geen boetes zijn opgelegd voor die jaren. Voor de overige jaren worden de beroepen ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 februari 2020.
Uitkomst: De vergrijpboetes voor de jaren 2005 tot en met 2012 zijn terecht en passend opgelegd en de beroepen worden ongegrond verklaard.