ECLI:NL:RBDHA:2020:8703
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- A.K. Mireku
- K.H.E. Swinkels
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende studievoortgang ongegrond verklaard
Eiser, een Pakistaanse student, had een verblijfsvergunning voor studie die op 20 juni 2019 met terugwerkende kracht per 12 december 2018 werd ingetrokken vanwege onvoldoende studievoortgang en afmelding door de onderwijsinstelling.
Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder de noodzaak om terug te keren naar Pakistan voor een nieuwe machtiging tot voorlopig verblijf, wat volgens hem een belemmering vormde voor zijn studiedoel.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. De terugkeer naar Pakistan werd niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 Awb Pro beschouwd. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het verzoek tot vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht werd wel toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning studie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.